De Belgische Veiligheidsbranche

Toepassingsgebied
In België wordt de private persoonsbeveiliging geregeld in:
1) Wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid;
2) Koninklijk Besluit van 21 mei 1991 betreffende het verlenen van vergunningen aan bewakingsondernemingen of interne bewakingsdiensten, gewijzigd door het Koninklijk Besluit van 15 juli 1992 en het Koninklijk Besluit van 13 juni 2002 betreffende de voorwaarden tot het verkrijgen van een verklaring van een erkenning als beveiligingsonderneming;
3) Koninklijk Besluit van 24 mei 1991 tot vaststelling van de regels aangaande de procedure tot schorsing of intrekking van de vergunningen of erkenningen bepaald in de wet van 10 april 1990 (…);
4) Koninklijk Besluit van 26 september 2005 betreffende de modaliteiten voor de toekenning, de geldigheidsduur, de weigering en de vernietiging van de identificatiekaart en de procedure inzake de onderzoeken naar de veiligheidsvoorwaarden; en
5) Koninklijk Besluit 30 december 1999 betreffende de vereisten inzake beroepsopleiding en -ervaring, de vereisten inzake medisch en psychotechnisch onderzoek voor het uitoefenen van een leidinggevende of een uitvoerende functie in een bewakingsonderneming of interne bewakingsdienst en betreffende de erkenning van de opleidingen.

De Belgische wetgeving maakt een differentiatie tussen Bewakingsondernemingen, Interne bewakingsdiensten, Beveiligingsondernemingen, Ondernemingen voor veiligheidsadvies, Opleidingsinstellingen en Veiligheidsdiensten. Deze ondernemingen kunnen zowel natuurlijke als rechtspersonen zijn. Ingevolge art. 1 §1, sub 1° Wet van 10 april 1990 valt de private persoonsbeveiliging onder de categorie van diensten die een Bewakingsonderneming blijvend of tijdelijk kan leveren aan een derde.

Vergunningplicht

De vergunninggebondenheid
In België wordt de vergunninggebondenheid geregeld in art. 2 Wet van 10 april 1990. Ingevolge §1 lid 1 van dit artikel mag niemand de diensten van een bewakingsonderneming (in dit geval private persoonsbeveiliging) aanbieden of zich als dusdanig bekend maken, indien hij daartoe vooraf geen vergunning heeft gekregen van de Minister van Binnenlandse Zaken, na advies van de Veiligheid van de Staat en de van de Procureur des Konings van de vestigingsplaats van de onderneming en, bij ontstentenis ervan, van de Minister van Justitie. De vergunning kan het uitoefenen van bepaalde activiteiten en het aanwenden van bepaalde middelen en methodes uitsluiten of aan specifieke voorwaarden verbinden (art. 2  §1, lid 2 Wet van 10 april 1990).
De bewakingsondernemingen mogen geen andere activiteiten uitoefenen dan die opgesomd in art. 1 §1 Wet van 10 april 1990, en waarvoor zij een krachtens §1 verleende vergunning hebben verkregen (art. 2 §2, lid 1, 1ste volzin Wet van 10 april 1990). De vergunning vermeldt de vergunde activiteiten en wordt eerst verleend indien de aanvrager voldoet aan alle voorschriften van de Wet van 10 april 1990 en de aan de door de Koning vastgestelde minimumvereisten inzake personeel en organisatorische, technische en infrastructurele middelen waarover de onderneming dienst of instelling moet beschikken (art. 4bis §1 lid 1 Wet van 10 april 1990). 
De activiteiten inzake private persoonsbeveiliging mogen niet uitgeoefend worden ten behoeve van publiekrechtelijke rechtspersonen behoudens toestemming van de Minister van Binnenlandse Zaken (art. 2 §2, lid 2 Wet van 10 april 1990).
Geen bewakingsonderneming mag de in art. 1 §1 bedoelde activiteiten uitoefenen indien de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe zij aanleiding kunnen geven, niet gedekt is door een verzekering die de bewakingsonderneming heeft gesloten bij een verzekeringsonderneming die erkend is of van erkenning ontslagen is krachten de Wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen (art. 3 lid 1 Wet van 10 april 1990).

De vergunningeisen
In België worden vergunningeisen voor bewakingsondernemingen geregeld in art 5 en 6 Wet van 10 april 1990. Daarbij maakt men een onderscheid tussen enerzijds personen die met de leiding van de onderneming belast zijn of in de raad van bestuur zitten en anderzijds personen die de werkzaamheden uitvoeren. Het onderscheidt tussen vergunningaanvragers met en zonder een verstigingsplaats in België ziet men niet terug in speciaal opgemaakte vergunningeisen. 
De vergunningaanvrager dient ervoor te zorgen dat zowel  leidinggevenden/bestuurders als uitvoerenden voldoen aan een achttal voorwaarden:
1) Een leidinggevende of lid van de raad van bestuur mag niet veroordeeld geweest zijn, zelfs niet met uitstel, tot enige correctionele of criminele straf, bestaande uit een geldboete, een werkstraf of geldstraf (artikel 5 lid 1, sub 1º, 1ste al.); Uitvoerend personeel mag niet veroordeeld zijn geweest, zelfs niet met uitsstel, tot een gevangenisstraf van tenminste 6 maanden wegens enig misdrijf, tot een gevangenisstraf van ten minste 3 maanden wegens opzettelijke slagen of verwondingen, tot een gevangenisstraf of andere straf wegens delicten limitatief opgesomd in dit sublid (artikel 6 lid 1, sub 1º, 1ste al.)
2) Onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie (art. 5 lid 1, sub 2º resp. art. 6 lid 1, sub 2º);
3) Hun hoofdverblijfplaats hebben in een lidstaat van de Europese Unie (art. 5 lid 1, sub 3º resp. art. 6 lid 1, sub 3º);
4) Niet tegelijkertijd werkzaamheden van privé-detective uitoefenen die, doordat ze wordt uitgeoefend door dezelfde persoon die ook een leidinggevende resp. uitvoerende funtie uitoefent, een gevaar kan opleveren voor de openbare orde of voor de in- of uitwendige veiligheid van de Staat (art. 5 lid 1, sub 4º resp. art. 6 lid 1, sub 4º);
5) Voldoen aan de door de koning vastgestelde voorwaarden inzake beroepsopleiding en -vroming en beroepservaring (art. 5 lid 1, sub 5º resp. art. 6 lid 1, sub 5º);
6) Sinds vijf jaar geen lid zijn geweest van een politie- of inlichtingendienst zoals bepaald in de Wet tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten (18 juli 1991), noch een militair of openbaar ambt hebben bekleed dat voorkomt op een door de Koning bepaalde lijst, met dien verstande dat die termijn op tien jaar wordt gebracht voor degenen die werden afgezet of van ambtswege ontslagen uit het ambt(art. 5 lid 1, sub 6º resp. art. 6 lid 1, sub 6º)
7) De leidinggevende of bestuurder moet minimaal 21 jaar oud zijn en de uitvoerende minimaal 18 jaar (art. 5 lid 1, sub 7º resp. art. 6 lid 1, sub 7º).
8) Voldoen aan de veiligheidsvoorwaarden, noodzakelijk voor een leidinggevende-bestuurdersfunctie of uitvoerende functie, en geen feiten gepleegd hebben, die, zelfs als ze niet  voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie uitmaken en daarom raken aan het vertrouwen in de betrokkene (art. 5 lid 1, sub 8º resp. art. 6 lid 1, sub 8º)
De bovengenoemde punten dienen cumulatief te worden nageleefd (ex art. 6, lid 7 Wet van 10 april 1990). Indien de bewakingsondernemingen rechtspersonen zijn, moeten zij opgericht zijn volgens de in het Belgisch recht geldende bepalingen of overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat van de Europese Unie. De exploitatiezetel van de bewakingsonderneming moet in een lidstaat van de Europese Unie gelegen zijn (art. 2 §3 Wet van 10 april 1990).

De vergunningaanvraag
In België wordt de vergunningaanvraag voor bewakingsondernemingen geregeld in het Koninklijk Besluit van 21 mei 1991 betreffende het verlenen van vergunningen aan bewakingsondernemingen of interne bewakingsdiensten, gewijzigd door het Koninklijk Besluit van 15 juli 1992 en het Koninklijk Besluit van 13 juni 2002 betreffende de voorwaarden tot het verkrijgen van een verklaring van een erkenning als beveiligingsonderneming (KB 21 mei 1991).
Elke persoon die een vergunning aanvraagt om een bewakingsonderneming uit te oefenen richt daartoe een verzoek bij ter post aangetekende brief aan de Minister van Binnenlandse Zaken, Algemene Directie van de Algemene Rijkspolitie (art. 2 lid 1).

Ex  lid 2 van dit artikel dient deze aanvraag de volgende bescheiden en inlichtingen te bevatten:
1) de oprichtingsakte en de statuten van de vennootschap (art. 2 lid 2, 1º, sub a);
2) de lijst van personen die in de raad van bestuur zitting hebben met opgave van naam, voornamen, geboortedatum, nationaliteit en volledig adres  (art. 2 lid 2, 1º, sub b);
3) het inschrijvingsnummer in het handelsregister en een kopie van het inschrijvingsbewijs (art. 2 lid 2, 2º, sub a);
4) het bewijs dat kan voldaan worden aan de voorwaarden bepaald in het KB van 14 mei 1991 betreffende de technische uitrusting van bewakingsondernemingen, beveiligingsondernemingen en interne bewakingsdiensten (art. 2 lid 2, 2º, sub b);
5) een lijst van het leidinggevend en uitvoerend personeel met opgave van naam, voornamen, geboortedatum, nationaliteit, volledig adres en feit of het voor of na 29 mei 1990 in dienst was (art. 2 lid 2, 2º, sub d);
6) een origineel of een kopie van een getuigschrift van goed zedelijk gedrag bestemd voor een openbaar bestuur, of een gelijkwaardig getuigschrift indien die personen hun woonplaats in het buitenland hebben. Het getuigschrift van goed zedelijk gedrag of het gelijkwaardig getuigschrift mag niet meer dan zes maanden oud zijn op het ogenblik dat de aanvraag wordt ingediend (art. 2 lid 2, 3º); en
7) In de aanvraag dient bovendien duidelijk te worden vermeld welke activiteiten bedoeld in art. 1, §§1 en 2 Wet van 10 april 1990 wordt aangevraagd (art. 2 lid 3)

EG/ERR t.a.v vergunningaanvraag
N.B. Indien de aanvrager van de vergunning geen exploitatiezetel heeft in België, houdt de Minister van Binnenlandse Zaken bij de beoordeling van de aanvraag rekening met de waarborgen verstrekt in het kader van de wettelijke en gereglementeerde uitoefening van de activiteiten, waarop de aanvraag betrekking heeft, in een andere lidstaat van de Europese Unie (Art. 4bis 1 lid 2 Wet van 10 april 1990).

Beslissing tot vergunningverlening
In de Belgische wetgeving voor private persoonsbeveiliging treft men geen bepaling aan voor de termijn waarbinnen de aanvrager op de hoogte wordt gesteld omtrent het verlenen of weigeren van een vergunning

De duur van de vergunning
De vergunning wordt verleend voor een termijn van 5 jaar. Zij kunnen voor gelijke termijnen worden vernieuwd (art. 4bis 1 lid 3 Wet van 10 april 1990). De aanvragen tot vernieuwing moeten ten minste 6 maanden voor het aflopen van de vergunning ingediend worden bij de Algemene Directie van de Algemene Rijkspolitie (art. 7 KB 21 mei 1991).

De kosten van de vergunning
Om de kosten voor de administratie, investering en toezicht, nodig voor de toepassing van de Wet van 10 april 1990 en de uitvoeringsbesluiten te dekken, bepaalt de Koning, het tarief, de termijn en de wijze van betaling van de restibuties die aan de onderneming, dienst of instelling voor de activiteiten waarvan een vergunning of een erkenning vereist is, moeten worden aangerekend (ex art. 20 §1 Wet van 10 april 1990). 
Op grond van het KB 8 februari 1999 onderscheidt men drie betalingsplichten, nl. 1) Het jaarlijks contributiebedrag (15.000 BFR), 2) De eenmalige administratiekosten (20.000 BFR) en 3) de kosten inzake de ID-kaarten (500 BFR).
De jaarlijkse contributie dient uiterlijk op 31 augustus, van het jaar waarop de restributie betrekking heeft, betaald te worden (ex art. 6 §1 lid 1 KB 8 februari 1999). Bij het bekomen van de 1ste vergunning als bewakingsonderneming na 31 juli dienen deze bedragen echter betaald te worden binnen de maand na de kennisgeving van de bekomen vergunning of de bekomen erkenning (ex art. 6 §1 lid 2 KB 8 februari 1999). 
De retributie voor de afgifte van een identificatiekaart wordt bepaald op het tijdstip waarop de bewakingsonderneming verzoekt om een formulier voor het aanvragen van een identificatiekaart (art. 1 lid 1 Ministerieel Besluit tot vaststelling van de procedure voor de betaling van de retributie voor de afgifte van de identifictaiekaarten voor het personeel van bewakingsondernemingen en interne bewakingsdiensten). 

Schorsing of intrekking van de vergunning
De vergunning kan geschorst of ingetrokken worden overeenkomstig de bepalingen van artikel 17 Wet van 10 april 1990 (artikel 4 §1 lid 4, 1ste volzin Wet van 10 april 1990). In sub 1° van dit artikel wordt bepaald dat de Minister van Binnenlandse Zaken, overeenkomstig een door de Koning te bepalen procedure, de verleende vergunnning, voor alle of voor sommige activiteiten, voor alle plaatsen waar die activiteit worden uitgeoefend of sommigen ervan, kan intrekken of voor een termijn van ten hoogste 6 maanden schorsen wanneer een in art. 1 Wet van 10 april 1990 bedoelde onderneming a) de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten niet in acht neemt of b) niet meer aan de voorwaarden ervan voldoet of c) activiteiten uitoefent die onverenigbaar zijn met de openbare orde of de inwendige of de uitwendige veiligheid van de staat, of d) wanneer gebreken werden vastgesteld in de controle die door dergelijke ondernemingen wordt uitgeoefend op de naleving van de bepalingen van deze wet door hun personeelsleden of de personen die voor hun rekening werken.
De procedure inzake schorsing en/of intrekking van vergunningen wordt nader uitgewerkt in het Koninklijk Besluit van 24 mei 1991 tot vaststelling van de regels aangaande de procedure tot schorsing of intrekking van de vergunningen of erkenningen bepaald in de wet van 10 april 1990 (…) (KB 24 mei 1991).

Vestigingsplicht
In België wordt aan de vergunningplicht voor private persoonsbeveiliging geen vestigingsplicht gekoppeld. 

Legitimatieplicht

Identificatiekaartgebondenheid
In België wordt de legitimatieplicht voor private persoonsbeveiligers geregeld in art. 8 §3 Wet van 10 april 1990. Conform dit artikel wordt er een onderscheidt gemaakt tussen enerzijds personen die een verblijfplaats hebben in België en anderzijds personen die geen verblijfplaats hebben in België. De personen die de werkelijke leiding van een onderneming en de personen die de in art. 1 §1, 3 en 6 Wet van 10 april 1990 bedoelde activiteiten uitvoeren moeten, indien zij een verblijfplaats hebben in België, houder zijn van een identificatiekaart, waarvan het model door de Minister van Binnenlandse Zaken wordt vastgesteld. Deze verplichting geldt ook voor dit soort personen, indien zij geen verblijfplaats hebben in België en zij activiteiten verrichten als bedoeld in art. 1 §1, lid 1, 5° tot 7° Wet van 10 april 1990 (art. 8 §3, lid 1, 1ste volzin Wet van 10 april 1990). De private persoonsbeveiliging vallen buiten deze categorie  (ex art. 1 §1, lid 1, 2° Wet van 10 april 1990).  
N.B. Dit zou impliceren, dat leidinggevend en uitvoerend personeel van een Nederlandse bewakingsorganisatie in België geen identificatiekaart nodig heeft voor het uitoefenen van activiteiten in het kader van de private persoonsbeveiliging. Desalniettemin is het toch noodzakelijk om zo’n identificatiekaart aan te vragen: a) vanwege het feit dat er raakvlakken kunnen zijn met andere activiteiten en b) vanwege het feit dat de regelgeving omtrent private persoonsbeveiliging continu aan veranderingen onderhevig is.  
Personen bedoeld in art. 8 §3, lid 1 Wet van 10 april 1990 kunnen de activiteiten dus slechts uitoefenen als zij de identificatiekaart dragen. De personen die niet onderworpen zijn aan de verplichting tot het bezitten van een identificatiekaart, kunnen deze activiteiten slechts uitoefenen als zij de identificatiekaart of documenten dragen, bepaald door de Koning, waaruit blijkt dat zij aan alle wettelijke voorwaarden of minstens aan de voorwaarden die een gelijkwaardige waarborg bieden, voldoen. Er bestaat een verplichting deze identificatiekaart of deze documenten te overhandingen bij elke vordering van de personen bedoeld in art. 16 Wet van 10 april 1990 (art. 8 §3, lid 3 Wet van 10 april 1990). 
De personen die de in artikel 1, § § 1 en 3 bedoelde activiteiten uitoefenen, moeten bij de uitoefening van hun activiteiten de identificatiekaart op een duidelijke wijze dragen. N.B. Het is vreemd dat een buitenlandse beveiligingsonderneming slechts voor een beperkt aantal activiteiten in  §1 neergelegd, een identificatiekaart nodig heeft. Ook om deze reden is het raadzaam om een dergelijke identificatiekaart aan te vragen bij de Belgische autoriteiten.

Voorwaarden voor afgifte van een identificatiekaart
De voorwaarden voor de afgifte van de identificatiekaart wordt geregeld in het Koninklijk Besluit van 26 september 2005 betreffende de modaliteiten voor de toekenning, de geldigheidsduur, de weigering en de vernietiging van de identificatiekaart en de procedure inzake de onderzoeken naar de veiligheidsvoorwaarden (KB 26 september 2005) en de Wet van 10 april 1990. De identificatiekaart wordt afgegeven door de Minister van Binnenlandse Zaken of een door hem aangewezen ambtenaar indien de betrokkene voldoet aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 5 of 6 Wet van 10 april 1990. Indien de betrokkene geen verblijfplaats heeft in België, dan dient hij minstens te voldoen aan de voorwaarden die een gelijkwaardige waarborg bieden (art. 8 §3, lid 2 Wet van 10 april 1990).
De betrokken dient per onderneming waarvoor hij leidinggevende of uitvoerende taken uitvoert, in het bezit te zijn van een afzonderlijke kaart die in overeenstemming is: 1) met de opleiding(en) die hij met succes gevolgd heeft; 2) de activiteiten, waarvoor de onderneming vergund of erkend is (art. 5 KB 26 september 2005). 
Een kaart wordt afgeleverd nadat: 1) door de administratie is vastgesteld dat de betrokkene voldoet aan alle wettelijke voorwaarden voor het uitvoeren van de beoogde activiteiten; en 2) de onderneming een aanvraag gericht heeft tot de administratie overeenkomstig Hoofdstuk IV van het KB 26 september 2005 (art. 6 KB september 2005).

Aanvraag identificatiekaart
Ook de aanvraag van de identificatiekaart wordt geregeld in het Koninklijk Besluit van 26 september 2005 betreffende de modaliteiten voor de toekenning, de geldigheidsduur, de weigering en de vernietiging van de identificatiekaart en de procedure inzake de onderzoeken naar de veiligheidsvoorwaarden (KB 26 september 2005).
De bewakingsonderneming richt de aanvraag tot het bekomen/vernieuwen van een identificatiekaart slechts aan de Directie Private Veiligheid bij de Algemene Directie Veiligheids- en Preventiebeleid bij de FOD Binnenlandse Zaken (verder: de administratie), nadat ze de naam, het telefoonnummer en het elektronisch contactadres van de “contactpersoon aanvragen kaart” heeft overgemaakt aan de administratie (ex art. 2 lid 1 en art. 8 KB 26 september 2005). De “contactpersoon aanvragen kaart” betreft de persoon, door de onderneming aangeduid, als contactpersoon met de administratie aangaande aanvragen, bedoeld in hoofdstuk van het KB 26 september 2005 (ex art. 1, sub 13° KB 26 september 2005). In bijlage I bij het KB 26 september 2005, treft men “de overmaking”.

De aanvraag is slechts geldig nadat aan de administratie de in art. 11 bedoelde documenten en de in art. 12 bedoelde gegevens zijn overgemaakt (ex art. 10 KB 26 september 2005).
Ex artikel 11 dienen bij de aanvraag de volgende documenten te worden gevoegd:
1) Een origineel van het getuigschrift van goed zedelijk gedrag, of een gelijkwaardig getuigschrift indien de betrokkene zijn woonplaats heeft in het buitenland. Het getuigschrift mag niet meer dan zes maanden oud zijn op het ogenblik van indienen van de aanvraag;
2) Een aanvraagformulier, afgeleverd door de administratie, dat behoorlijk ingevuld is en waarop de onderneming een pasfoto van betrokkene heeft aangebracht; en
3) Een behoorlijk ingevuld document van schriftelijke instemming met het onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden bedoeld in art. 7 §2 lid 2 Wet van 10 april 1990.
Ex artikel 12 dienen bij de aanvraag de volgende gegevens aangaande betrokkene te worden gevoegd.
1) Naam en voornaam
2) Adres en woonplaats
3) Geboorteplaats en geboortedatum
4) Taal (N/F/D)
5) Het rijksregistratienummer
6) Functie: code zoals vastgelegd en omschreven in het Ministerieel Besluit tot vaststelling van het model van de identificatiekaart. 
7) Datum in dienst
8) Datum van het bewijs van goed gedrag en zeden dat het recentst werd overhandigd aan de onderneming;
9) Volgnummer van de kaart, zoals vermeld op het aanvraagformulier bedoeld in artikel 11, 2°;
10) Datum van aanvraag van de kaart;
11) Datum van de schriftelijke instemming met het onderzoek naar veiligheidsvoorwaarden bedoeld in art. 7 Wet van 10 april 1990. 
De gegevens ex artikel 12, onder 1° en 3° en in het voorkomend geval, 2° en 4°, moeten identiek zijn als deze zoals ze voorkomen voor de betrokkene, onderdaan van de Europese Unie , die in België geen woonplaats heeft: de identiteitsdocumenten afgeleverd door de EU-lidstaat, waar de betrokkene zijn woonplaats heeft (ex art. 12 §2, sub 3° KB 26 september 2005).

Plaats van afgite identificatiekaart
De kaarten dienen te worden afgegeven in de kantoren van de administratie, tenzij de onderneming uitdrukkelijk verzocht om deze haar per aangetekende zending over te maken (ex art. 13 KB 26 september 2005).

Weigering van de identificatiekaart
Indien de betrokkene niet voldoet aan één of meerdere objectieve uitoefeningsvoorwaarden, ex art. 5 lid 1, 1°, 2°, 3°, 5°, 6° of 7° Wet van 10 april 1990, voor wat betreft het leidinggevend personeel van een bewakingsonderneming en art. 6 lid 1, 1°, 2°, 3°, 5°, 6° of 7° Wet van 10 april 1990, voor wat betreft het uitvoerende personeel van een bewakingsonderneming, wordt de identificatiekaart geweigerd te verstrekken (art. 17 §1 KB 26 september 2005). Indien wordt overwogen aan betrokkene een identificatiekaart te weigeren, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden bepaald, voor wat betreft het leidinggevende personeel, in art. 5 lid 1, 4° en 8° Wet van 10 april 1990, of voor wat betreft het uitvoerende personeel, in art. 6 lid 1, 4° en 8° Wet van 10 april 1990, wordt de procedure, voorzien in art. 18 t/m 23, toegepast (ex art. 17 §2 KB 26 september 2005).

Geldigheid identificatiekaart
De identificatiekaart is geldig voor een periode van vijf jaar te rekenen vanaf de datum van de aanvraag ervan en kan voor gelijk termijnen worden vernieuwd. De datum waarop de aanvraag voor de aanmaak van de identificatiekaart werd overgemaakt aan de administratie, wordt beschouwd als de begindatum van de geldigheidsperiode van de kaart (art. 7 KB 26 september 2005). 
De aanvraag van de vernieuwing van de identificatiekaart geschiedt uiterlijk 6 maanden voor de vervaldatum van de definitieve kaart (art. 8, lid 2 KB 26 september 2005)

Terugsturen identificatiekaart
Ex art. 15 KB 26 september 2005 moet de bewakingsonderneming de identificatiekaart binnen 14 dagen terugsturen naar de administratie, nadat:
1) de geldigheidsdatum overschreden is;
2) de foto van de houder van de kaart niet meer gelijkend is;
3) de kaart beschadigd is;
4) de betrokkene van naam of voornaam verandert;
5) de betrokkene niet langer voldoet aan de alle voorwaarden bepaald;
6) de betrokkene zijn activiteiten bij de onderneming definitief heeft beëindigd.

Wanneer de betrokkene zijn activiteiten bij een bewakingsonderneming beëindigt: 1) dient deze bewakingsonderneming de betrokkene diens documenten binnen 5 dagen te overhandigen of aangetekend toe te sturen; 2) dient de betrokkene zijn identificatiekaart binnen 5 dagen aan de onderneming te overhandigen of deze aangetekend toe te sturen; 3) dient de bewakingsonderneming aan de administratie de volgende gegevens aangaande de betrokkene over  te maken, nl.: a) naam en voornaam; b) adres van de woonplaats; c) geboorteplaats en geboortedatum; d) rijksregisternummer; e) datum uit dienst (art. 14 KB 26 september 2005).

Diploma-eisen
In tegenstelling tot Nederland zijn in België diploma-eisen gekoppeld aan de vergunningverlening. Deze diploma-eisen worden deels geregeld in art. 5 en 6 Wet van 10 april 1990. Zowel een leidinggevende/bestuurder als degene die de beveiligingsactiviteiten uitvoert, dient te voldoen aan de door de Koning vastgestelde voorwaarden inzake beroepsopleiding en -vorming en beroepservaring. Hierbij wordt er gedoeld op het Koninklijk Besluit 30 december 1999 betreffende de vereisten inzake beroepsopleiding en -ervaring, de vereisten inzake medisch en psychotechnisch onderzoek voor het uitoefenen van een leidinggevende of een uitvoerende functie in een bewakingsonderneming of interne bewakingsdienst en betreffende de erkenning van de opleidingen (KB 30 december 1999). 
Niemand kan de functie van leidinggevend of uitvoerend personeel uitoefenen, tenzij hij houder is van een bekwaamheidsattest (art. 2 resp. 4 KB 30 december 1999). Het leidinggevend personeel hoeft niet over een “bekaamheidsattest opleiding leidinggevend personeel” te beschikken, indien het, mits inachtneming van de bepalingen voorzien in art. 6 §2 KB 30 december 1999, over een buitenlandse opleidingstitel “leidinggevend personeel” beschikt (art. 3, 2° KB 30 december 1999). Het uitvoerend personeel hoeft niet over een bekwaamheidsattest te beschikken die overeenstemmen met de beoogde activiteit, indien het, mits inachtneming van de bepalingen voorzien in art. 6 §2 KB 30 december 1999, over een buitenlandse opleidingstitel “uitvoerend personeel” beschikt (art. 5, 2° KB 30 december 1999).   
De persoon die een beroep doet op de uitzondering voorzien in art. 3, 2° of 5, 2° KB 30 december 1999, richt zich hiertoe per aangetekend schrijven aan de Algemene Directie van de Algemene Rijkspolitie een aanvraag tot de Minister van Binnenlandse Zaken (art. 6 §1 lid 1 KB 30 december 1999). 
De aanvrager staaft zijn aanvraag met de volgende originele documenten of eenvormig verklaarde afschriften ervan:
a) de buitenlandse opleidingstitle, waarop de aanvrager zich beroept (lid 2, sub 1°);
b) het bewijs dat de buitenlandse opleidingstitel in het land van oorsprong van de aanvrager toegang verleent tot het verrichten van de activiteiten, zoals bedoeld in art. 1 §1 Wet van 10 april 1999 (lid 2, sub 2°);
c) het bewijs dat een bevoegde instantie, die is aangewezen overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Staat van uitreiking, de titel heeft afgeleverd (lid 2, sub 3°);
d) de wetgeving die de toegang regelt tot het verrichten van de activiteiten, zoals bedoeld in art. 1 §1 Wet van 10 april 1999, in het land van herkomst van de aanvrager (lid 2, sub 4°); en
e) de syllabi en/of collegedictaat (lid 2, sub 5°)

De Minister van Binnenlandse Zaken beslist binnen 4 maanden nadat de volledigheid van het dossier is vastgesteld omtrent het onderzoek (art. 6 §2 KB 30 december 1999).